Verhaalhalen.jouwweb.nl
Home » Thrillers » Samen oud

Samen oud

 

Ze waren inmiddels tientallen jaren samen, Jacoba en Cor plus Atilla, een grijze roodstaart papegaai. En omdat ze nu eenmaal korter leven, elkaar opvolgend telkens één zwarte kat. Atilla was al oeroud; Jacoba had hem tientallen jaren geleden van haar vader geërfd na diens overlijden. Hij kon allerlei geluiden opslaan en af en toe reproduceerde hij tot blozens toe de uitlatingen, die hij had opgenomen. De voornaamste reden in die tijd om een papegaai te hebben.

 

Jacoba en Cor, beiden muzikant,  kenden elkaar uit een morsig orkestje, dat met een variétégezelschap rondreisde. Van de twee slanke, frisse twintigers van toen was na langdurig wederzijds gebruik niet veel meer over. Een ware slijtageslag. Maar niet alleen het lijf, ook de geest had aan souplesse ingeboet. Hoe langer ze getrouwd waren, hoe tirannieker Jacoba werd. En tegelijkertijd brak ze Cor in de loop van jaren af tot een wrakkige eunuch...

 

Zij streek zijn hemden, waste zijn ondergoed en zijn sokken, prakte zijn aardappels en sneed zijn vlees. Hij zag er altijd piekfijn uit, maar onder dat vernislaagje zag je een diepongelukkige vent, die al decaden eerder was gecastreerd. Oh zeker, Jacoba verzorgde Cor uitstekend in ruil voor zijn redelijke pensioen. Jacoba onderhield zo om praktische redenen wat ooit het voorwerp van haar liefde was. Inmiddels  verworden tot een grimmig, bitter oud wijf, bestond haar enige vreugde uit het koeioneren van haar wederhelft. Liefde en warmte waren ver te zoeken in huis. Tot overmaat van een ramp had Atilla, zoals wel meer bij papegaaien het geval is, een afkeer voor mannen in het algemeen en voor Cor in het bijzonder. Tegelijkertijd overstelpte hij Jacoba met zijn affectie. Dat hij naar Cor “ouwe sok” en “je bakt er niets van” krijste, was geen toeval.

 

De enige levende ziel, waar Cor vreugde aan beleefde was Kobus de kat. Deze kon begripvol op Cor’s schoot plaats nemen en troostend spinnen. Al bij hun trouwen kwam er in hun huishouden een zwarte kat. Die werd - zoals u al vermoedde - Kobus genoemd. De kat stierf dan na gemiddeld 15 jaar en dan kwam er een nieuwe zwarte kat. Inderdaad weer ene Kobus en als we dit schrijven is inmiddels Kobus de Vierde in beeld.

 

Cor’s waarde, je moet zeggen restwaarde, was dat hij allerlei klussen in huis deed, hetgeen het echtpaar veel kosten bespaarde. Er was niet veel te bedenken van technische aard dat Cor niet zelf kon behappen. Zo kluste Cor er lustig op los al was het alleen maar om te ontsnappen aan de vernietigende blikken van zijn gade. De kruik gaat net zolang te water tot-ie barst... wel, dat gold ook voor Cor. Soms zat hij al klussend te dagdromen en stelde hij zich voor hoe hij Jacoba verzoop in het ligbad, onder de stadsbus duwde of bovenaan de trap pootje haakte. Als er dan een vredige glimlach rond zijn mond speelde, schudde Jacoba hem ruw wakker voor het obligate kopje thee. Cor hield niet van thee, Cor hield van koffie, pittige koffie. Maar Jacoba vond dat te duur, ongezond voor zijn rikketik en het belangrijkste was, dat zij er niet van hield. Dus werd het thee.

 

Die kat was misschien het enige, dat Jacoba en Cor liefdevol samen deelden. Maar ook aan het leven van Kobus de Vierde kwam enige tijd geleden een einde en zijn plaats werd toen niet meer ingenomen. Jacoba en Cor voelden zich eigenlijk te oud om weer opnieuw te beginnen met een (jonge) kat. In dit huishouden was er een merkwaardige piklijst. Jacoba stond al jaren op plaats nummer één, Atilla (ondanks zijn geringe status als vogel) bezette nummer twee en op nummer drie stond Kobus, ongeacht welke Kobus. Onderaan op plaats vier bengelde onze Cor, de mens Cor. Met het verscheiden van Kobus bleef dat zo, want Cor schoof geen plaatsje omhoog. Plaats drie werd ingeruimd en vrijgehouden ter nagedachtenis van de overleden kat.

 

In dit grauwe bestaan putte Cor enige vreugde uit het klussen: timmeren, schaven en repareren van het huis... het was zijn lust en zijn leven! Strammer en stroever dan voorheen beperkte hij dat voornamelijk tot binnenwerk. Zo hing hij bijvoorbeeld voorzichtig uit het dakraam om van binnen uit bladafval te verwijderen uit de dakgoot. Bij uitstek een gelegenheid om zich, niet op zijn vingers gekeken door Jacoba, ongestoord over te geven aan allerlei dagdromen. Die fantasieën van Cor stelden allerlei varianten voor van het om zeep helpen van zijn echtgenote. Dat werd eigenlijk een beetje obsessief, want neem nou dat geklus aan de dakgoot... terwijl hij daarin stond te peuteren stelde hij zich voor dat Jacoba met dat eeuwige kopje thee kwam.

 

Met geestesoog zag hij haar uit het dakraam bukken om vooral te controleren hoe ver hij was gevorderd. Dan zag hij haar in gedachten iets te ver voorover buigen uit het raam en spontaan een stukje op het schuine dak schuiven. Glimlachend stelde hij zich voor, dat hij haar dan een zetje gaf, die haar van die helling deed afglijden om uiteindelijk van het dak af te mieteren. Klets! Een morsige vlek op het terras was alles wat er dan overbleef van zijn aanbedene. Hij fantaseerde enthousiast over zulke details.

 

"Thee!", krijste dan Jacoba’s stem achter hem op de zolder, daarmee zijn dagdromen wreed verscheurend. De scène uit  zijn hoofd werd zo nooit bewaarheid, noch werd het gedagdroomde einde ooit feestelijk beleefd.

 

Toen kwam het moment, dat Jacoba besloot om het huis te verkopen en met Atilla en Cor naar een bejaardenhuis te gaan, waar ze slechts één huisdier mee mochten nemen. Kwam dat even goed uit, dat de kat de pijp uit was? Zij bewoonden een oude, degelijke woning, die - mits wat aangepast aan deze tijd - een goede prijs kon opbrengen. Er was al een makelaar over de vloer gekomen, die het huis in uitstekende staat bevond. Maar terecht plaatste hij wat kritische kanttekeningen bij de ouderwetse uitvoering van het bouwsel. Zoals vroeger erg in was, waren er bijvoorbeeld extra wanden geplaatst, bestaande uit gipsplaten. Zo was de oorspronkelijk ruime kamer door voorzetmuren veel kleiner geworden. Indertijd noemde men dat knus en het scheelde in de stookkosten. De makelaar merkte op, dat ze wat stookkosten betreft, dan beter de grote zware balken in de zoldering hadden kunnen afdekken met gipsplaten. Maar Jacoba en Cor waren het er toentertijd daar wel meteen over eens, dat de prachtige aanblik van die stoere eiken balken de voorkeur verdiende boven een strak gipsen plafond.

 

Een beetje modern stel wil tegenwoordig echter een ruime kamer en niet zo'n hoge zoldering, die aan een kil en koud kasteel doet denken. Dus om een goede prijs te maken, wist Cor wat hem te wachten stond. Aangemoedigd door Jacoba demonteerde hij toch maar de gipsplaten die op enige afstand van de muur waren geplaatst. De toen ontstane grotere ruimte was inderdaad een toekomstig Walhalla voor nieuwe bewoners.

 

Even verenigden hun geesten zich, toen ze na het weghalen van de voorzetwanden de meer dan een halve eeuw oude kranten ontdekten, die tegen de vrijgekomen muur waren geplakt. Om niet meer geheel duidelijke redenen deed men dat toen als vaste prik. Het tweetal bladerde vertederd in het oude nieuws en verloor zich even in de vijftiger jaren. Voor hen ontvouwde zich de slag om Dien Bien Phu, waarbij de Fransen met hun roemruchte vreemdelingenlegioen verpletterend werden verslagen in wat toen nog Indochina heette. En Prins Bernhard die na het zoveelste ongeluk met een snelle bolide in het Academisch Ziekenhuis van Utrecht was opgenomen en, ach gut kijk nou eens, de prinsesjes gingen weer naar school!

 

Maar dan weer terug naar de 21e eeuw: de gipsplaten konden prima worden hergebruikt; Cor zou ze tegen de balken in het plafond aan schroeven, geholpen door Jacoba. Jammer, dat Atilla zich bemoeide met Cor's verbouwing. Met zijn gekrijs irriteerde hij Cor mateloos, waardoor deze versuft door al die decibellen op de bank even bij moest komen van de opspelende hartkloppingen. Als hij Jacoba verzocht om haar lieveling tot de orde te roepen, ontaardde dat in de zoveelste ruzie. Die klus dreigde ondertussen zo niet op te schieten, terwijl er al gauw potentiële kopers een kijkje kwamen nemen. Er werd dus ruim gepauzeerd, waarbij Cor ten onrechte meende zijn rust te kunnen nemen. Juist in die pauze klaagde Jacoba over haar rug- en nekpijn. Volgens haar was dat het gevolg van haar behulpzaam aanreiken van de gipsplaten. Cor zag met vreze het al aankomen en jawel, er werd een beroep gedaan op zijn massagetalenten. Jacoba vleide zich dan met haar rimpelige lijf op de canapé en Cor masseerde vervolgens met de nodige weerzin haar ontblote rug. En vooral schouders en nek. O jee, die nek! Die leek wel een aanplakzuil voor verfrommeld krantenpapier. Hij probeerde ver weg van die onesthetische nek te blijven, maar zo werkt dat niet.

 

Jacoba gaf aanwijzingen zoals "een stukje naar links" of "meer naar rechts". Wanneer zij als een menselijke tom-tom de richting aangaf met "hoger, hoger", moest Cor zich inhouden om niet een slagje te hard in die kippennek te knijpen. Hij vervloekte de papegaai die dit alles in werking had gezet en dwaalde met zijn gedachten af naar de klus, die onafgemaakt wachtte. Voor hem stond het vast dat Atilla het zwijgen moest worden opgelegd, wilden ze de volgende week belangstellende kijkers kunnen ontvangen.

 

Hij bedacht dat hij als kind veel grotere vogels dan een papegaai op eenvoudige wijze in katzwijm had zien raken. Dat was op de boerderijen waar hij in de vijftiger jaren vlakbij woonde. Kalkoenen, pauwen en ganzen snoepten wel eens van de jeneverbesstruiken op het boerenerf en op een gegeven moment  gingen ze van hun stokje. Dat was tijdelijk, want na verloop van tijd schudden ze hun veren en gingen ze weer huns weegs, zodra de natuurlijke alcohol was uitgewerkt. Soms raakten ze er zelfs aan verslaafd, wat in die tijd werd beschouwd dat als een acceptabele eigenaardigheid. Cor besloot Atilla te verrassen en zo enigszins te kalmeren voor de duur van de klus. Maar waar vind je jeneverbessen? Andere vruchtjes die in de winkels lagen, zoals klapbessen, frambozen en  aalbessen, moesten vast hetzelfde effect kunnen bereiken als je ze althans alcoholisch kon maken. In ieder geval lustte Atilla, ofschoon voornamelijk zaadeter, ze altijd al graag, omdat Jacoba hem daar al regelmatig mee verwende.

 

Het monster vrat trouwens alles; hij kreeg bijvoorbeeld regelmatig het restant van een kippenpootje. Hij bofte, dat Jacoba's gebit het liet afweten, want daarom gaf ze haar kluif al halverwege het nuttigen daarvan aan haar lieveling. Het is bekend dat kannibalisme voorkomt onder vogels en zeker papegaaien zijn niet vies van vlees van hun collega's. Sowieso peuzelen ze opgewekt elk soort vlees. Het kwam nu in ieder geval goed uit, dat Atilla een fruitliefhebber was.

 

Om Atilla in een onschadelijk roesje te brengen gaf Cor hem - als Jacoba er niet oplette  - de hierboven genoemde vruchtjes, die hij eerst in een borrelglaasje had laten weken in zijn eigen oude jenever. Het ging hem ergens wel aan het hart om zijn voortreffelijke Bols te moeten delen met die afschuwelijke vogel. In het begin hielp het wel; Atilla zonk zwijgzaam weg in gedachten en hield zijn snavel. Dan klom Cor opnieuw op het trapleer om verder te gaan met het vastschroeven van de gipsplaten. Jacoba reikte ze weer plichtsgetrouw aan en verbaasde zich over de rust en kalmte, die over Atilla was gevallen. Dat genoegen duurde niet lang, want kennelijk had de vogel een krachtige lever, die de alcohol snel afbrak. Een paar gipsplaten verder krijste hij weer dat het een lieve lust was. De alcohol had zijn hersens kennelijk ook niet aangetast, want terwijl de twee oudjes stonden te worstelen met de gipsplaten, krijste hij aanmoedigend wat hij zopas had opgepikt: "Hoger, hoger". Cor werd dol van die aanwijzingen!

 

De scènes herhaalden zich. Cor's bloeddruk liep weer op, de klus werd afgebroken, Jacoba vleide zich uitnodigend neer op de canapé en arme Cor moest zuchtend haar gelooide rugvel masseren. Plichtsgetrouw kropen zijn vingers omhoog wanneer Jacoba commandeerde "hoger, hoger". Tot haar genoegen en zijn ergernis hoefde Jacoba dat trouwens niet zo vaak meer te zeggen. Atilla, dat mormel, krijste namelijk om de haverklap "hoger, hoger", zodra Cor probeerde met zijn masserende vingers weg te glippen van haar stuitende nekplooien. Het kreng genoot merkbaar van de recente uitbreiding  van zijn woordenschat. 

 

Toen Jacoba bij het geknijp in haar schouders en nek, enigszins lustvol en een beetje dizzy wegdommelde, stopte Cor opgelucht de massage. Op zijn tenen sloop hij naar de drankkast en schonk zichzelf een stevige borrel in. Een ander glas, maar dan bestemd voor long drinks, vulde hij voor de helft met oude jenever en daar propte hij zoveel mogelijk besjes in. Deze vullen zich snel met alcohol, wat goed te zien is omdat ze daarbij aanzienlijk zwellen. Tijd voor een paardenmiddel… Terwijl Jacoba nog steeds verlekkerd op de canapé lag te doezelen, voerde Cor Atilla het ene vruchtje naar het andere. In een toneelstuk zou het volgende een zogenaamd "terzijde" heten. En als ik fluisterend kon schrijven zou ik u het volgende toefluisteren. Ik zet dat maar even tussen haakjes.

 

(Uit reacties van slimme lezers, die mij de eer aandeden mijn andere werkjes te lezen is mij wel gebleken, dat ik doorzichtig schrijf. Zo blijkt men eerder dan ik te weten wie de vileine rol in mijn verhalen speelt. Dat is best knap en uw speurzin heeft mij overrompeld, want zelf weet ik het vaak nog niet. De reden daarvan is deze: eigenlijk besluit ik pas in de allerlaatste alinea “who dunnit”, dus wie de schurk is. De booswicht aanwijzen schijnt volgens mysterieschrijvers ook niet de grootse hobbel te zijn, die ze moeten nemen. De lieve lezers weten, op dit punt aangekomen, vast ook al eerder dan ik wat er voor onheil in de lucht hangt. Ik daarentegen zit er nog over te puzzelen en ben benieuwd hoe het zich ontwikkelt).

 

In slechts één middag had Cor het plafond erin en zo ontstond er een juweel van een eigentijdse woning. Niettemin had het een degelijke, klassieke uitstraling. Intens tevreden over zijn noeste arbeid liep Cor fluitend en opgewekt in de woning rond om wat op te ruimen en aan kant te maken. Hij stond er opeens alleen voor, maar dat deerde hem niet. Zonder Jacoba's dominante aanwezigheid en het trommelvliesscheurende gekrijs van Atilla lukte het hem prima om ook zonder hulp de woning klaar te krijgen voor bezichtiging.

 

Een dag later al deelde de makelaar op, dat een potentiële koper telefonisch contact zou opnemen, ene Marc-Sjanet Deswaffelaer. Deze man was van beroep beveiligingsadviseur en wilde samen met zijn vriendin en collega van het pand een woning, tevens kantoor maken. Cor werd kort daarop opgebeld en toen hij de telefoon aannam hoorde hij met aangenaam stemgeluid zeggen: "Awel, 't Is Deswaffelaer ‘ier. Vandaag onderzoek ekik enkele immobiliën. Past het dat ik aanstonds passeer?". Natuurlijk paste het Cor, dat de potentiële koper passeerde en even later werd er aangebeld...

 

Hij liet een vriendelijke man binnen, die direct overal het huis onderzoekend doorliep. Hier en daar tikte hij tegen iets aan en in een bepaalde hoek bleef hij in gedachten staan.

"Hm, ‘t  is gezegd, maar dit is volmaakt voor mijn bureel. Ekik kan bediejeme met mijnen job beginnen".

Cor: "Wat bedoelt u… bediejeme?"

De man: "Seffens... eh, straks bedoel ekik. Een werktafel, een telefoon en een persoonlijke computer en het is in sacoche. Ekik bedoel: ekik kan zo aanvangen, zunne." 

Cor (die een oor heeft voor zoiets): "Hoor ik iets Zwols bij u?"

De man (verrast door Cor's scherpe waarneming): "Zeker en vast. Ekik woon daar een boogscheut vandaan. Amaai, ge zijt ne echte jimmenas, eh, een slimmerik, da' ge dat zo goe´ hoort.”

 

Een snellere koopovereenkomst werd nooit eerder gesloten. Marc-Sjanet Deswaffelaer wilde zo snel mogelijk in het prachtige pand trekken. Op zijn deur schroefde hij een bordje met " Deswaffelaer & Poirot, privaat speurders ". Gevraagd naar die collega Poirot, deelde hij mee de dat dat zijn aanstaande vrouw Hermine was, die haar vaders praktijk voortzette. Hij wachtte  op haar komst vanuit Groot-Brittannië, waar ze als adviseuse een dikke klus had gedaan bij BBC, die met een nieuwe detectiveserie was begonnen.

 

Veel drukte verwachtte meneer Deswaffelaer niet, want zo'n business heeft altijd een lange aanloopperiode nodig. En aan zijn houding te zien speelde geld geen rol: hij belde de eerste de beste, maar duurste verhuizer op om “’ne camion te reserveren” om zijn spullen op te halen. Na een paar dagen wat provisorisch inrichten stoorde hem een beetje een enigszins bedompte lucht. Het was een gootlucht. Een erbij gehaalde loodgieter kon niets uitrichten, want alles aan aan- en afvoerpijpen zag er prima uit. "Het kan zijn, dat er nog oude leidingen achter de wanden lopen, waar een eventuele lekkage stankoverlast kan opleveren", klonk het bemoedigend. De loodgieter klopte hier en daar interessant doend op de muren in de hoop aan de klank of echo eventuele onvermoede buizen te ontdekken. Meneer Deswaffelaer volgde hem op de voet en gaf behulpzaam wat aanwijzingen:

 

"Misschien een stukske naar links... Of neen, liever een stukske naar rechts? Of misschien omhoog...". Dat bleek onvermoed een goede suggestie, want de verbaasde mannen hoorden boven zich een schorre stem als van een dronken zeeman reageren met: "Hoger, hoger".

 

Ofschoon de arbo-wet er eigenlijk niet in voorzag, was de loodgieter niet te beroerd om de herkomst van dat geluid na te gaan. Hij klom op een trapleer en begon een plafondplaat los te wrikken. Op dat moment kwam Cor nog even terug om in zijn oude huis poolshoogte nemen. Hij had een bloemetje als verwelkoming bij zich voor meneer Deswaffelaer. Verbijsterd zag hij bij binnenkomst hoe de loodgieter bovenop het trapleer op het punt stond om zijn bovenlijf in de ruimte te wriemelen. Uit het duister dook er plotseling iets op: een verwilderd kijkende Atilla hipte op de arm van de loodgieter, die geschrokken achteruit deinsde, maar zich met zijn andere hand nog net aan het trapleer kon vasthouden.

 

"Komt u er maar gauw van af, " voegde Cor hulpvaardig de geschrokken man toe "dan pak ik de papegaai wel aan". Hij veinsde dolgelukkig te zijn dat hij Atilla terug had, die hij een paar dagen eerder schijnbaar dood, maar in ieder geval stomdronken met een gracieuze piesboog in de ruimte boven zo'n gipsplaat had gemikt. Hij had zich er van overtuigd dat Atilla  geen kik meer gaf alvorens de laatste plaat vast te zetten.

 

"Amaai, hoe komt diejen veugel in da’ kot?" zo verbaasde meneer Deswaffelaer zich.

Cor: "Hij moet per ongeluk de opening zijn binnengevlogen, voordat ik de plaat vast schroefde"

" Ekik zou ook geen goesting hebben om in mijnen vleugelmutte  te blijven", stemde meneer Deswaffelaer begrijpend in.

"Dat brengt mij erop... dat ik de plaat wel weer even voor u vastschroef," haastte Cor zich hulpvaardig  aan te bieden.

 

Hij voegde de daad bij het woord; hij klom weer eens op het trappetje en herstelde de oude situatie weer zeer solide. Terug op de begane grond veegde hij zich het zweet van zijn voorhoofd. Dit was weliswaar geen zware klus maar wel een benauwd moment geweest. Een tevreden gevoel bleef uiteindelijk bij hem over. Bij zijn korte inspectie had hij namelijk kunnen vaststellen, dat de kurkdroge ruimte aan alle voorwaarden voldeed om het mummificeringsproces van het weggestopte stoffelijk overschot van Jacoba verder ongestoord te kunnen voltooien. En een vluchtige blik leerde hem dat Jacoba zich nuttig had gemaakt door de afgelopen dagen als maaltijd voor Atilla te dienen. Ze vormden altijd al een sterk koppel.

 

Toen hij het trapleer af kwam, bleek er zich inmiddels nog een persoon aan het gezelschap te hebben toegevoegd:  "Marc-Sjanet, ’t Is uwen lief ‘ier”, kweelde het uit een lieflijke damesmond.  Daar stond een schone, jonge vrouw, die zich kenbaar maakte als Hermine Poirot. Ze legde een stapel verhuisdozen, die ze onder haar arm mee had,  neer en spreidde uitnodigend haar armen. De begroeting van het stel was onstuimig en hartelijk. Het deed Cor denken aan een ver verleden, dat nu begraven was. Althans weggestopt.

 

Meneer Deswaffelaer leidde Hermine enthousiast rond, terwijl Cor in een geïmproviseerde draagkooi -  één van die meegebrachte verhuisdozen - probeerde Atilla te stoppen. Hij was net klaar met die lastige klus en stond, samen met de loodgieter, die

 zijn gereedschap weer had ingepakt, op het punt te vertrekken. Toen kwam het stel van zijn ronde terug. Cor vroeg belangstellend wat Hermine Poirot ervan vond, omdat ze alleen op afstand ingestemd had met de koop en daarbij geheel op Marc-Sjanet Deswaffelaer had vertrouwd.

 

“’t is ne schoon woonst, zulle, vermits…. awel, vermits die plaasterplaten terug van het plafond  worden afgehaald”.

 

psycho-norman-bates-mother-prop.large.jpg

 

 

En 

zo

geschiedde…