Verhaalhalen.jouwweb.nl
Home » Kinderen » Onderaan de ladder!

Onderaan de ladder! vervolg van Broedsel

 

Die klassieke anekdote over baby Adolf Hitler roept de vraag op of je expres een baby uit je handen mag laten vallen. Met de kennis achteraf lijkt dat acceptabel. Vernietig een monster en redt de wereld. Het dient als vehikel om ons te brengen naar het onderwerp “kleine monsters”.

 

Ik heb kleine krengen goed terecht zien komen. Maar ook zag ik schattige kinderen zich ontwikkelen tot gewetenloos sujetten. Dat eerste wil men graag horen, bij het tweede slaat men weleens op tilt. Een onmiskenbaar deel van sociologisch onderzoek bestaat uit waarnemingen noteren, turven en uitkomsten statistisch bewerken. Professionals uit de “ooghoek” (psychologen, pedagogen e.d.) nemen daar kennis van, bestuderen de statistieken en kunnen daar iets binnen hun vak mee doen! Maar wat blijkt nou? Buiten die beroepsgroep heerst het idee, dat ik als kinderloze eigenlijk geen zinnige mening over kinderen kan hebben. Laat staan dat ik er een verhaal over kan schrijven. Telt het misschien een beetje, dat ik enkele vruchtbare kennissen heb? 

 

In mijn vorige woonplaats lag een man, bloedend als een rund, ruggelings op de dorpel van zijn huis. Hij had een uitklappende vlizoladder vanuit de zoldering op zijn hoofd gekregen en was groggy  ter aarde gestort. Hij wist nog naar de voordeur te kruipen, waar de door de buren opgeroepen arts zijn hoofdwond hechtte. Deze stelde vast dat de man dankzij een dik schedeldak het met “slechts” een hersenschudding had overleefd. 

 

Inmiddels was er iemand van Jeugdzorg (uw schrijver) bij geroepen. Omdat er twee kinderen van de alleenstaande man van zo’n vier, vijf jaar in huis waren, moest er een “officieel mens” bij blijven tot hij weer voldoende bij zijn positieven was. Tevens om passende maatregelen te nemen voor eventuele opvang. Van de arts vernam ik, dat de vijfjarige met schrikogen rond had gedribbeld met een sliert watten in de hand. Daarmee had zij geprobeerd het bloed te stelpen. Aandoenlijk toch! Ook aandoenlijk was, dat er een kleine hond - tot de arts erbij kwam - naast zijn baas lag. Zijn kop hield hij beschermend over diens keel, alsof het dier intuïtief wist dat dit het kwetsbaarste gedeelte was. Kennelijk is er zoiets als een natuurlijke aanleg voor zorgzaamheid en inlevingsvermogen.

 

De arts nam mij vertrouwelijk terzijde. Het vierjarig meisje, baarde hem namelijk zorgen. Het was niet voor het eerst dat hij haar zag en zich over haar verbaasde. Hij zei mij onomwonden dat het een glashard kind was. Het bijzondere was, dat ze wel op het gedruis afkwam, toen haar zusje en het hondje al in actie waren. Maar haar reactie tegenover haar versufte vader was eigenaardig: "Bah, al dat bloed... niets voor mij. Ik ga verder met tv kijken" en ze kroop weer op de bank in de huiskamer. 

 

Mijn verslag is later steeds vaker de ronde gaan doen bij, laat ik maar zeggen, professionals. Die zagen er niet meer in dan wat het was: zomaar een aardige casus. En die casus bespreekt het feit dat een meisje klaarblijkelijk het vermogen miste om zich te verplaatsen in een slachtoffer. Met mensen “uit het vak” kan je over zo'n bloot feit rationeel van gedachten wisselen, zonder dat je wordt afgemaakt. Onthutsender waren echter de opgewonden reacties van andere mensen, die dit verhaal ook oppikten. Dat zijn dan criticasters die menen alles van kinderen te weten. Ouderschap schijnt dan al voldoende om voor superdeskundige door te gaan. Dat het meisje “maar vier” was, was het emotionele argument om met zekerheid uit te sluiten dat het kind niet spoorde. Zo kon ik vernemen, dat mijn verslag en het daarna rondzingende verhaal het kind ten onrechte een verkeerd stempel hadden opgedrukt. Ofschoon het niet een keer zo werd genoemd, vulden overenthousiaste lezers zelf maar in, dat de vierjarige een psychopathische aanleg had. Dat was niet mijn conclusie, maar ik heb dat wel meer, dat lezers mijn verhaal opnieuw schrijven. Ik denk dat dat een combinatie is van slecht lezen en de onbedwingbare behoefte om “verbeteringen” aan te brengen. Van mij mag het, net zo goed als ik er op mag wijzen als men met mijn tekst klooit.

 

Opmerkelijk was, dat als je er fijntjes op wees dat het andere meisje ook “maar vijf jaar” was, men met de situatie ineens geen raad wist. Schertsend opmerken dat ik jammer genoeg de leeftijd van het hondje niet - ter vergelijking -  ernaast kon leggen, viel zoals u begrijpt niet in goede aarde. Grote opwinding en gevoel voor humor gaan namelijk zelden samen.

 

Ik moet zeggen, dat de “verbeterde versies”  in hun verhitte reacties veel spannender waren dan mijn saaie rapport. Maar ja, fictie wint het natuurlijk van mijn realisme. Over realisme gesproken: niet alleen mij, simpele ziel, werd veelvuldig duidelijk gemaakt, dat ik als kinderloze eigenlijk geen recht van spreken had. Die lijn werd doorgetrokken naar kinderloze en/of vrijgezelle pediaters, waarvan ik er beroepsmatig diverse ontmoet. Die worden zo nog eens brodeloos.

 

Jaren later ging de storm liggen en werd er ook niet meer zo overgekookt gereageerd. Het verhaal zakte geleidelijk weg in het geheugen en is inmiddels hooguit een ondergeschikte voetnoot bij publicaties van andere onderzoekers. Uiteindelijk levert dit alles toch maar de ingrediënten op voor een nieuw verhaal. Door een waanzinnig toeval kreeg ik namelijk jaren later de gelegenheid om te ontdekken hoe die twee kinderen zich hadden ontwikkeld. 

 

Dat ik die bewuste man op een nogal onverwachte plaats tegenkwam, was de ironie van het noodlot. Blij verrast nodigde hij mij uit voor een bezoek aan hem en zijn, ik zal maar zeggen, gezin. Het was alsof ik toen in een bizarre proefopstelling terechtkwam... 

 

(Wordt vervolgd met “Feestmaand”) 

 

valpartij.large.jpg