Verhaalhalen.jouwweb.nl
Home » Columns » De taalmeester

De taalmeester

Na zijn overlijden kreeg de woordkeuze van doctorandus P (Heinz Hermann Polzer) welverdiende aandacht. Mosterd na de maaltijd dus als ik daaraan een steentje bijdraag. Maar het zette mij wel aan het denken: doctorandus P - een negentiger - bediende zich als jongeling al graag van archaïsche woorden. Associaties met een ouwelijk persoon kloppen niet, want hij was een zeer vitale man.

Hij demonstreerde, dat Nederlands veel mooier is dan wel wordt aangenomen. Woorden die wij al tweeduizend jaar gebruiken, zouden ons juist door dat langdurige gebruik bekend moeten voorkomen. Ze zijn in ieder geval authentieker Nederlands dan “cool” en “vet” en “hoe obvious is de content van dat paper wel”, terminologie waarmee je op tv en radio wordt doodgegooid.

Veinzen dat je "ouderwetse" woorden niet begrijpt, is ook zo'n goeie. Met het omarmen van Amerikaanse poptaal wordt wat ooit gebruikelijk Nederlands was, begraven. Het is de moeite waard om eens wat op te spitten uit de taaltuin. Er ligt een schat in. In de teksten van doctorandus P zit humor verpakt in zijn ongebruikelijke woordkeus. Dat die niet in het straattaalboekje is terug te vinden, belemmerde hem niet om onverstoord door te gaan. En gelukkig liet het publiek zich daar ook niet door afschrikken.

Ook zondagschrijvers hebben volgelingen. Meestal een handjevol lezers. Zelf heb ik maar twee trouwe lezeressen. Eén vlooit mijn teksten met onwaarschijnlijke, minder zuivere motieven. Zij verdient aandacht in een nog te schrijven column; voorlopig beperk ik mij tot het aanduiden van haar als juffrouw Tutje Hola.
Dan heb ik nog een tweede volgster, die andere getikte lezeres. Zij heeft zich tot levensdoel gesteld mij te wijzen op vermeende taalfouten in mijn teksten. Correcties zijn altijd welkom, maar daar gaat het haar niet om. Zij schept er genoegen in zich te ergeren aan mijn pennenvruchten. Deze vaste lezeres, laten we haar Berenies Brulboey noemen, neemt graag aanstoot aan mijn persoon en aan mijn geschrijf. Ze gaat er echt voor zitten en door onbekendheid met sommige woorden lukt ergeren haar uitstekend.

Het is verleidelijk om met Berenies de draak te steken. Maar wie weet lijdt ze aan een enge ziekte; ik gok humordeficiëntie. Omdat humor niet valt te transplanteren, is ze aangewezen op de gezondheids- en reformwinkels, waar zij toch al graag komt. Er zijn vast wel potjes met vies smakende, groene pilletjes voor dat gebrek.

Door het overlijden van doctorandus P werd hij ineens een topic in het nieuws. Onbedoeld moest ik daardoor aan dat malle mens denken. Hoe kwam dat? Op de tv werden voorbeelden van zijn archaïsch woordgebruik gegeven, waaronder het prachtige woord "snuisterijen". In de letterlijke betekenis word je van snuisterijen niet rijk. Die liggen nog niet eens bij de lommerd! Je kunt het woord echter ook gebruiken om de juwelen in de Engelse kroon aan te duiden in een luchtig stukje tekst. Voor wie er voor open staat, heeft dat toch wel iets geestigs… Doctorandus P schiep met het woord snuisterijen afstand tot kostbare sieraden. Die relativeerde hij tot de dooie dingen, die ze eigenlijk zijn. 

 

Dat ik “snuisterijen” associeerde met Berenies heeft te maken met een van haar meest agressieve telefonades. Daarin moedigde ze mij aan om in het woordenboek de betekenis van snuisterijen op te zoeken. U begrijpt het al, dat woord had ik gebruikt in een tekst die zij in handen had gekregen. Wrang was, dat het geen gepubliceerde tekst betrof, maar een rondgestuurde e-mail van mij.

Een oude dame had mij kostbare juwelen ter hand gesteld om deze na haar overlijden aan een kleindochter te geven. En wel op haar 21ste jaar, reden dat ik ze een paar jaar had bewaard. In mijn e-mail gaf ik nabestaanden een beschrijving van die nagelaten sieraden. Ik duidde ze daarbij terloops aan met snuisterijen. Zo maak je ze niet te groot en te duur en bewaar je gepaste afstand tot gevoelens van hebberigheid en zo. Ik vraag me nog steeds af, hoe dat mens die tekst in haar gretige handen heeft gekregen. Mijn e-mail was absoluut niet voor haar bestemd, want ze is helemaal geen familie van de erflater noch van de erfgenamen.

Hoe dan ook, ik werd opgebeld door haar, schuimbekkend… zo stel ik me voor. Ik ga dan af op de combinatie van rauw geschreeuw en veel decibels. Omdat ik mijn antwoordapparaat aan had staan, heb ik haar verrukkelijke teksten een paar keer kunnen afluisteren. Als ik de twee eerste belbeurten oversla, waarin ik voornamelijk voor rotte vis werd uitgemaakt, dan was de derde belbeurt op zijn zachtst gezegd nogal opmerkelijk:

"Je moet maar eens in het woordenboek opzoeken wat de betekenis is van snuisterijen. Nou, ik zou ze dan niet meer hoeven…"

Dat ging dus over de overdracht van briljanten oorknoppen en een smaragden hanger aan een gouden ketting. Dat is toch geen kattenpis, ongeacht hoe ik ze had aangeduid. Ik herinner me, dat ik eerst had getwijfeld of ik ze “kleinodiën” zou noemen. Maar dan was de wereld waarschijnlijk helemaal te “klein” om het maar eens plastisch uit te drukken.

Wat ik ervan leerde was - behalve dat Berenies Brulboey kennelijk in andermans computer zit te koekeloeren - dat ik moet oppassen bij de keuze van archaïsche woorden. Een kwinkslag mist zijn doel, wanneer een geflipte denkgeest woorden letterlijk neemt. In mevrouw Brulboey's logica moet je dat juist doen, want woorden bestaan immers uit letters. Zo brei je een maffe redenering lekker rond.

Hoe zou doctorandus P met zoiets omgaan? Ik stel me voor dat hij mij zou zeggen: “Aanschouw hoe woorden dreigen te verstoffen in de krochten van ons brein. Ga daarom onverdroten voort met het borgen van deze parels”

In gedachten zou ik hem dan zeggen: “In dier voege voelde ik mij genoopt deze column te scheppen”.

schrijver24-06-2015